Historische achtergrond

–          Hoe zag het gezin, waarin je bent opgegroeid eruit.

–          Beschrijf je vader, wat voor persoon was hij, wat voor werk deed hij, leeft hij nog. Welke eigenschappen waardeer jij in hem. Met welke eigenschappen heb/had jij moeite. Welke eigenschappen, die jij herkent in hem, heb jij ook. Wat heeft je vader je gegeven, wat heb jij gemist.

–          Beschrijf je moeder en wat voor persoon was je moeder. Stel jezelf dezelfde vragen als bij je vader.

–          Vertel over hun onderlinge relatie, hoe was deze en hoe is deze nu.

–          Heb je broers en zussen, hoe voel je je naar hen toe. Wat waardeer jij in hen, en wat waarderen zij in jou. Hoe was hun invloed op jou. Hoe was het contact, en hoe is het nu.

–          Beschrijf de woonomgeving waarin je opgroeide.

–          Vertel over je positie in het gezin. Wat heb je over jezelf te horen gekregen. Wat klopt en wat niet.

Babytijd

Hoe heeft jouw moeder jouw zwangerschap beleefd. Hoe was de relatie toen van je ouders en hoe zag hun leven eruit. Was je welkom. Hoe is de bevalling geweest, waar ben je geboren. Aan wie kon jij je hechten, wie verzorgde je. Was er warmte, belangstelling voor jou als baby. Heb je borstvoeding of flessenvoeding gehad.

Peutertijd

Hoe ontwikkelde je je motorisch, (zitten, kruipen, staan en lopen) sociaal en cognitief (wat is je aangeleerd over hoe je moet denken). Wanneer was je zindelijk en hoe was de zindelijkheidstraining. Waar speelde je het liefste mee. Hoe waren je eet- en slaapgewoontes. Wie was je voorbeeld in deze tijd.

Kleutertijd

Dit is een magische periode. Je gaat voor het eerst naar school en ontdekt dat er verschillen zijn tussen jongens en meisjes. Wat herinner jij je hierover. Had je opvallende dromen en fantasieën.

Lagere schooltijd

Wie waren je vrienden. Hoe waren je leerprestaties. Had je hobbies. Wat viel je op. Wat waren je gevoelens. Had je bepaalde gevoelens in bepaalde situaties die je nog weet.

Puberteit/adolescentie

Was er ruimte thuis voor zelfstandigheid en een eigen inbreng. Was er voldoende vrijheid voor jou. Mocht je eigenzinnig zijn en dingen op jouw manier doen. Werden er grenzen gesteld door je ouders. Trok je met een groep leeftijdgenoten op. Wat deed je in je vrije tijd, had je hobby’s, deed je aan sport. Hoe waren je prestaties op school. Had je idealen, een ideaalfiguur. Hoe ging je om met autoriteit, waren er conflicten.

Hoe is dat nu?

Hoe ben je van huis weggegaan. Beschrijf de periode na de adolescentie tot nu toe. En dan met name over je relationele leven, werk en studie.

Algemeen

–          Waren er specifieke angsten of traumatische ervaringen in je leven of recentelijk. Hoe was de houding van je ouders t.o.v. jouw gevoelens als kind. Welke gevoelens mochten er wel zijn en welke niet, mocht of kon je ze uiten. Heb/had je terugkerende dromen of nachtmerries. Welke, beschrijf ze. Waren er nog belangrijke ervaringen in je opvoeding.

–          Welke boodschappen heb je meegekregen over vrouw zijn/man zijn. Was er een specifieke rolverdeling vroeger thuis. En nu in je huidige relaties.

–          Bij wat voor soort mensen voel jij je veilig en op je gemak. Met wat voor soort mensen heb jij moeite, voel je je bedreigd of welke andere opvallende gevoelens heb je dan.

–          Waar ben jij gekwetst in je leven, en hoe ga jij nu met gekwetstheid om. Wat is jouw mechanisme om pijn niet (meer) te hoeven voelen.

–          Ben je gelovig opgevoed. Op wat voor manier, volgens welke normen en waarden. Waar geloof je nu in en waar niet (meer).

–          Noem positieve en negatieve eigenschappen van jezelf. ( alhoewel die niet positief of negatief zijn, die zijn er gewoon en benoem ze even zo) Waar ben je goed in, je sterke kanten, en waar zwakker.

Slotvragen

–          Is  je leven bevredigend, waar wel en waar niet. Waar verlang je naar en hoe zou je willen zijn.

–          Welke gevoelens ken je, welke zijn minder beleefbaar en waarvan je weet dat ze er zijn. Ken je tederheid en agressie.

–          Hoe is de mate van vitaliteit. Kun je enthousiast zijn. Waarover.

–          Hoe ziet je sociale kring er nu uit.

–          Hoe is je financiële situatie: genoeg, tekort, overvloed. Zijn er conflicten met geld.

–          Heb je lichamelijke klachten. Zijn er operaties, ongelukken gebeurd.

–          Is er een psychiatrische geschiedenis bij jou of een familielid.

–          Heb je hobby’s, doe je aan sport.

–          Wat is er nog meer belangrijk, zijn er belangrijke “geheimen”.

–          Waar wil je geholpen worden, en waarmee dan eventueel? KLIK HIER.

 

 

Bron: Caroline van der Aa

 

0 reacties

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *